1 augustus 2008
“In de nieuwe eeuw werd het camp voor Duitsland te zijn.” Deze zin kregen enkele van mijn vrienden en kennissen voorgelegd, met daarbij als belangrijkste vraag: wat betekent het woord ‘camp’? Zij mochten daarbij geen woordenboeken en andere naslagwerken raadplegen. Veertien mensen deden mee aan mijn onderzoekje (waarvoor mijn dank!). Een willekeurige steekproef uit mijn kennissenkring, maar niet uit de samenleving – de meesten hebben doorgeleerd en/of bezitten een bovengemiddelde intelligentie.
De reacties varieerden van ‘geen idee’ tot een, soms uitgebreide, beschrijving. Was er iemand bij die écht wist wat ‘camp’ betekent?
Ter herinnering, in de vorige aflevering kwam ik tot de volgende omschrijving:
‘Camp’ betekent dat het in de nieuwe eeuw weliswaar interessant werd om voor Duitsland te zijn, maar dat die voorkeur niet gebaseerd was op echte gevoelens, maar op een zich afzetten tegen de anti-Duitse oorlogsstemming van de 20e eeuw.
Van de veertien deelnemers wisten er vier helemaal niet wat ‘camp’ betekent:
- Camp komt in mijn vocabulaire niet voor! Moet ik mij schamen?
- Euhm…jeempie…ik ken het woord ‘camp’ als Nederlands woord helemaal niet!! Oh oh…
- Ik en mijn collega’s hebben eigenlijk geen idee. In de context zou het iets van ‘hip’ kunnen betekenen?
- Ik heb mijn collega’s gevraagd…Een aantal wist helemaal niet waar dit op slaat. In de context van de zin dachten ze aan taboe, gebruikelijk, gewoonte, mode, hip.
Anderen komen in de buurt:
- Het werd ‘mode’ om voor Duitsland te zijn (ga ik nu door voor de vaatwasser?).
- Mijn eerste gedachte: de zin loopt niet. Daarna, zonder woordenboek: het zal wel iets betekenen als mode, gewoonte, trend.
- Het werd voor een bepaalde subcultuur ‘in’ om voor Duitsland te zijn.
- In de vorige eeuw speelde de oorlog een belangrijke rol in de vooroordelen en beeldvorming omtrent Duitsland en de Duitsers. In deze eeuw heeft men dit meer en meer kunnen loslaten, ook omdat de generatie mensen die de oorlog meemaakte, kleiner wordt. Het is geen taboe meer om positieve uitlatingen over Duitsland te doen. Het wordt zelfs gewaardeerd, je stijgt in aanzien als je positief over Duitsland bent.
Of denken het tegenovergestelde:
- Ik heb dit woord nog nooit gebruikt. Ben het ook nooit ergens tegengekomen. Even op de gok dan maar. In de nieuwe eeuw werd het algemeen niet aanvaard voor Duitsland te zijn. Oftewel het was ‘not done’ voor Duitsland te zijn.
Of denken aan hele andere dingen:
Drie mensen gaan door voor de vaatwasser:
- Ik omschrijf dit woord als chique kitsch.
- Na de doorlog wilde men natuurlijk niets te maken hebben met alles wat Duits was. Ook kinderen van na de oorlog kregen het met de moedermelk mee. Toen zij echter in de pubertijd kwamen, wilden zij zich van hun ouders onderscheiden door voor Duitsland te zijn.
- ‘Camp’ betekent volgens mij iets als cult, i.e. hip maar niet mainstream, alleen onder bij bepaalde subculturen of bij mensen die zichzelf als progressief, alternatief dan wel underground beschouwen. De Nederlandse taal schiet duidelijk tekort voor dit fenomeen, gezien het grote aantal Amerikaanse termen zonder goed Nederlands equivalent dat me erbij te binnen schiet. De voorbeeldzin betekent dus zoiets als ‘voor Duitsland zijn was in de mode onder bepaalde groepen’. Daarbij moet worden gezegd dat ik dit woord zelden of nooit tegenkom - het is dus blijkbaar niet meer camp om het woord ‘camp’ te gebruiken.
Gepost in De Engelse ziekte | Geen reacties »
30 juli 2008
Het gebruik van Engelse woorden in de Nederlandse taal heeft nogal wat ongewenste effecten: het voegt behalve problemen vaak niets toe (zie Suffering de Engelse ziekte deel 1). Nóg erger wordt het als er een Engels woord langskomt waarvan nogal tot zeer onduidelijk is wat het woord überhaupt(!) betekent. Zo’n woord is ‘camp’.
Ik kwam het woord tegen in een column over het Duitse voetbalelftal. De zin luidde als volgt: “In de nieuwe eeuw werd het camp voor Duitsland te zijn.”Camp? Ik had er nog nooit van gehoord. Uit de context kreeg ik wel een vermoeden wat het zou kunnen betekenen, maar dat was nattevingerwerk.
Dan maar naar onze steun en toeverlaat: de dikke Van Dale. Die verklaart ‘camp’ als volgt (leuk: bedenk eerst zelf wat camp zou kunnen betekenen):
zo lelijk, smakeloos, ouderwets dat het uiteindelijk toch weer mooi of interessant gevonden wordt en weer in de mode komt
Echte gevoelens?
Aha! Het was in de 20e eeuw dus smakeloos om voor Duitsland te zijn, maar in de nieuwe eeuw werd het toch weer interessant en modieus om voor de Mannschaft te zijn.Dat lijkt een redelijke uitleg, maar als synoniem voor ‘camp’ geeft Van Dale: ‘kitscherig’ En dan begint de bekende woordenboekenrondedans: wat is ‘kitscherig’ volgens Van Dale? ‘Kitscherig’ is al wat niet echt van sentiment of niet werkelijk artistiek is, maar pretendeert het te zijn. ‘Camp’ betekent dus dat het in de nieuwe eeuw weliswaar interessant werd om voor Duitsland te zijn, maar dat die voorkeur niet gebaseerd was op echte gevoelens. Terwijl de afkeer van de Duitse voetballers volgens de column wél werd gevoed door echte gevoelens, “want de oorlog piepte altijd weer om de hoek”. Vóór het Duitse voetbalelftal zijn, werd dus ingegeven door een zich afzetten tegen die anti-Duitse oorlogsstemming, niet zozeer door enthousiasme voor het Duitse voetbal.
Geen idee
Hèhè, de zaak is rond, ik weet nu wat ‘camp’ betekent, ook al kostte het heel wat zoekwerk.Interessant is natuurlijk om na te gaan wat de betekenis van dit woord voor de Engelsen is. Het woordenboek geeft er veel, onder andere: 1) kamp, kampement 2) homoseksueel 3) kitsch (super camp = superkitsch; campy = kitscherig). Ben ik nu de enige die niet weet wat ‘camp’ betekent? Ik besloot een onderzoekje te houden onder vrienden en kennissen. In de volgende aflevering van ‘Suffering de Engelse ziekte’ publiceer ik de uitslag. Een van de reacties luidde als volgt: “Ik en mijn collega’s hebben eigenlijk geen idee. In de context zou het iets van ‘hip’ kunnen betekenen en in het algemeen gewoon een ‘kamp’.
Volgende keer: wie kent de betekenis van ‘camp’?
Gepost in De Engelse ziekte | Geen reacties »
24 juli 2008
Vroeger kregen veel arme mensen de ‘Engelse ziekte’. Door gebrekkige voeding had het geraamte te weinig stevigheid en boog door, vooral zichtbaar aan de kromme benen. Nu wordt met de term ‘Engelse ziekte’ het overmatig gebruik van Engelse woorden in de Nederlandse taal aangeduid. Ook deze ziekte heeft met armoede te maken en veroorzaakt kreupelheid, maar nu in het taalgebruik.
Voor de duidelijkheid: ik ben geen taalpurist die ‘webstek’ zegt tegen een ‘website’. Vele Franse, Duitse en dus ook Engelse woorden hebben een vaste en vanzelfsprekende plaats in onze taal gekregen. Ik doe mijn geld niet in een ‘beurs’ en ga ook de ‘zoldering’ niet witten.
Een standing ovation
Waar ik wel bezwaar tegen maak, is het overbodige gebruik van Engelse woorden. Overbodig, omdat die Engelse term niets toevoegt, of, erger nog, verwarring oproept. Het NRC bijvoorbeeld schrijft over een do-it-yourself-handleiding om je eigen spaceshuttle te bouwen. Dit is een volkomen overbodig gebruik van het Engels. Het voegt niets toe en de Nederlandse uitdrukking (doe‑het‑zelfhandleiding) is korter en duidelijker. Elders lees ik dat een ‘standing ovation’ in Nederland gebruikelijk is. Waarom geen ‘staande ovatie’? Wat is de meerwaarde van het gebruik van het Engels? Het vormt eerder een obstakel, want de lezer moet naar een andere taal overschakelen en de betekenis daarvan zien te achterhalen.
Het geluid van een ezel
Een zichzelf respecterend bedrijf heeft tegenwoordig geen directeur meer, maar een CEO, een Chief Executive Officer. Hier duikt nóg een bezwaar op tegen het gebruik van het Engels: de uitspraak. Want wat rolt makkelijker onze Nederlandse mond uit – directeur of Sie Ie Oo? Vooral de combinaties ie-ie en ie-oo doen meer aan het geluid van een ezel denken dan aan de waardigheid van onze directeur.
Stoplap
Tegenwoordig wordt het Engels ook al als stoplap gebruikt als de koppenmaker van de krant er niet uit komt. “Being televisiekijker eind van het seizoen”, kopt de krant. Alweer verwarring, want hier verwachten we al helemaal geen Engels. Mijn eerste associatie was ‘Beijing’ – Olympische Spelen. Maar nee, het stukje gaat over het televisieaanbod aan het eind van het televisieseizoen. “Televisiekijker zijn eind van het seizoen”, staat er dus. Toegegeven, dat loopt niet mooi en een kop moet kort zijn. Maar moet een scheutje Engels dat probleem oplossen? Loopt er geen creative director rond die iets beters kan bedenken?
Volgende keer: wat betekent ‘camp’?
Gepost in De Engelse ziekte | Geen reacties »
19 maart 2008
Mijn vader wordt binnenkort 83 jaar en is daarmee een eerbiedwaardige grijsaard, afgaand op het weinige haar dat hem nog rest.
Mijn vader neemt nog in bescheiden mate deel aan het maatschappelijk leven. Zo heeft hij onlangs via internet (!) een abonnement genomen op Digitenne. Dat is een prestatie van formaat voor iemand die is opgegroeid met de gloeilamp en de buizenversterker.
Maar hoe wordt deze grijsaard door de mensen van Digitenne aangesproken?
“Doe de postcodecheck en JE ziet direct of JE Digitenne kunt bestellen.”
“Op JOUW adres is Digitenne beschikbaar.”
Ik zou bijna tegen de vlegels van Digitenne/KPN willen rappen: “Respect man!!” Hoe halen ze het in hun hoofd om welke klant dan ook (grijsaard of niet) met ‘jij’ en ‘jou’ aan te spreken? Ik ben grootgebracht met het idee dat ‘je’ de aanspreektoon voor kinderen is en ‘u’ die voor volwassenen. Leer ik die volwassene beter kennen en ontstaat er een vertrouwelijke band, dan zou ik ‘je’ kunnen gaan zeggen.
In veel contact met klanten blijkt dit idee achterhaald. Mijn vader is ook abonnee van Tele2. Via de website van dit bedrijf kan hij alle Tele2-gegevens over zichzelf vernemen. En ook hier wordt uitbundig gejijd en gejoud:
“JOUW persoonlijk klantpagina”
“JE bent ingelogd als…”
“…kun JE de gegevens van JE abonnement inzien…”
Daar ben je nou 83 jaar voor geworden: om je als een kwajongen te laten toespreken, zelfs door bedrijven die door jou betaald worden.
Vanmorgen bezocht ik een voorlichtingsbijeenkomst over mondprotheses (kunstgebitten). De spreker schatte ik eind veertig. Het publiek bestond uit oudere dames en heren, die hoopvol uitkeken naar een beter kunstgebit. En waarmee opende de spreker zijn toespraak? “Ik ben blij dat JULLIE er zijn.” Op de vraag van (ik schat) een 70-jarige hoe lang de bevestiging van dit type kunstgebit meegaat, antwoordde deze spreker: “Hoe oud wil JE worden?”
Misschien kent u de indiaan Klukkluk nog van de tv-serie over Pipo de Clown. Hij sprak een raar, krom taaltje, maar één van zijn uitspraken was bijzonder toepasselijk op deze spreker: “Klap toe de mond!”
Gepost in Communicatie | 2 reacties »
7 maart 2008
Het postkantoor verdwijnt. Die schokkende mededeling las ik gisteren in de krant.
Schokkend, niet alleen omdat ik zelf gehecht ben aan het bezoeken van de posttempel.
Vroeger kocht ik er eerstedagomslagen: als er een nieuwe postzegel werd uitgegeven kon je op het postkantoor op de eerste dag van uitgifte een speciaal voor die postzegel gemaakte envelop kopen waarop de nieuwe postzegel prijkte, voorzien van een uniek eerstedagstempel.
Maar ook nu vervoeg ik mij graag tussen de wachtenden en kijk met bewondering naar de mensen achter het loket (dat ook al niet meer bestaat), die op alles raad weten en zonder te kijken gewichtige stempels zetten en achteloos duizenden euro’s voor je uittellen (wat mij helaas zelden overkomt).
Ik vind het ook schokkend, omdat mijn vader zijn hele werkzame leven bij de PTT heeft gewerkt op…? Natuurlijk, op het postkantoor. Het districtspostkantoor nog wel, een enorm gebouw dat aan de achterkant grensde aan een spoorwegemplacement en een eigen perron had waar de posttreinen laadden en losten.
Altijd als ik daarlangs fietste, keek ik er met trots naar, want als je vader daar werkte, was het ook een beetje jouw gebouw, nietwaar?
Ik lees in de krant dat het aantal postkantoren in een paar jaar tijd al was verminderd van 2000 naar 250. Dat wist ik niet. In een Rotterdamse buurt zijn er al twee van de drie dicht en onherkenbaar veranderd. Waar eens de geur van stempelinkt en bruin pakpapier hing, daar dringt nu het zweet van het fitnesscentrum de onwillige neus binnen. Het andere postkantoor is een bingohal geworden, en dat is wat de bedrijfsleiding van TNT nu waarschijnlijk denkt: bingo! de kogel is door de kerk, de hele zaak gaat dicht.
Ik vraag mij af wat de bedrijfsleiding nog meer denkt. Want was lees ik?
“Het postkantoorpersoneel zwijgt in alle talen.” Eén TNT-er wil (anoniem) nog wel kwijt: “Helaas, we mogen niets zeggen van TNT.”
Waar is TNT bang voor? Dat het personeel zal juichen van blijdschap? Eindelijk van dat saaie postkantoor af? Of dat ze zeggen dat ze boos zijn, omdat hun postkantoor, waar ze met hart en ziel gewerkt hebben, gewoon maar moet verdwijnen? En àls ze dat zeggen, dames en heren van TNT, waarom mogen wij dat niet horen? Zo’n vreemde reactie is dat toch niet? U ontneemt toch heel veel mensen hun werk? Moeten wij dan maar denken dat uw bedrijf een breed gedragen, door alle geledingen ondersteund besluit heeft genomen?
Maar het wordt nog erger. “Het nieuws over de sanering moest het personeel uit de media vernemen, zegt een postchauffeur van TNT.” Zo gaat het vaak: ingrijpende maatregelen komen uit de lucht vallen. Alsof het personeel niet al lang voelde, dat er iets zou gaan gebeuren. En daar onzeker van werd, zich onveilig ging voelen, ziek werd misschien. Niet goed voor het bedrijf, niet goed voor het personeel. Als de managers niet uit zijn op blindelingse zelfverrijking, maar naar eer en geweten proberen om het bedrijf rendabel te maken en te houden, kunnen ze dan niet met hun werknemers praten? Uitleggen wat er aan de hand is?
Uiteindelijk wint iedereen bij openheid. Hoe pijnlijk een reorganisatie ook is.
Ik ben blij dat mijn vader met pensioen is.
Gepost in Communicatie | 2 reacties »